GRAMMAR: Negation with “niet”

Negating a Dutch sentence is a problem for many students, but it’s easier than it looks. You can basically negate the Dutch sentence with two words: either “geen” or “niet”. In a previous post, I expained how to negate with “geen” and in this article, I want to show you how to negate with “niet”, and most importantly, how to position the damned word correctly.


The rule for using “niet” is very straightforward: unless there’s an isolated undefined noun in the sentence, the negation would always be with “niet”. The question then is how to position “niet” correctly in the sentence. Textbooks tend to make this one way too complicated, so I simplified it into three rules that are easy to remember. We always put the “niet” before or in front of a certain part of the sentence.


Niet always goes in front of adjectives (words that describe the quality, color, appearance, character of something or someone) or adverbs (words that describe the frequency, intensity, preference of an action / a verb).

De film is leuk. ⇒ De film is niet leuk.
Wij kijken graag naar soaps. ⇒ Wij kijken
niet graag naar soaps.
Mijn vader is intelligent. ⇒ Jouw vader is
niet intelligent.
Ik vind dit boek interessant. ⇒ Ik vind dat boek
niet interessant.


Prepositions are these elements that would always be combined with substantives. There are roughly three kinds of prepositions:

1. They express the position, direction or location of nouns (in, uit, naast, naar, op, onder, boven, bij…)
2. They form a relationship between verb and noun (geloven in, kijken naar, luisteren naar, denken aan, wachten op, …)
3. They give more information about topic, possession, accompaniment, … (van mij, met haar vrienden, over de film…)

“niet” always goes in front of prepositions!

Wij kijken naar een film. ⇒ Wij kijken niet naar een film.
Mijn vriendin komt uit Duitsland. ⇒ Ik kom niet uit Duitsland. 
Ik woon in België. ⇒ Ik woon niet in Brazilië.
Ik hou van donkere chocolade. ⇒ Ik hou niet van witte chocolade.


Before you study this rule, please check out this previous post on the basic sentence construction in Dutch here. When we don’t have prepositions, adjectives or adverbs, the “niet” always goes before the “eindgroep”. In these first examples, there is no “eindgroep” (so it’s basically like an empty room in a house) and the “niet” is at the end of the sentence:

Ik heb het boek. ⇒ Ik heb het boek niet (X).
Ik hoor jou. ⇒ Ik hoor jou niet (X).
Hij helpt mij. ⇒ Hij helpt mij niet (X). 

However, note that as soon as we bring out the “eindgroep” with infinitives that are combined with auxiliary verbs, the “niet” will go right in front of it.

Ik wil de telefoon kopen. ⇒ Ik wil die telefoon niet kopen.
Hij kan me helpen. ⇒ Jij kan me
niet helpen
Zij moeten het huis verkopen.  ⇒ Zij willen het huis
niet verkopen

It’s the same rule when we put a separable element of the separable verb into the “eindgroep”:

Ik maak de deur open. Ik maak de deur niet open.
Onze leraar bereidt zijn lessen voor. Jullie leraar bereidt zijn lessen niet voor.
Zij gaan vanavond met hun vrienden uit. Wij gaan vanavond niet uit.

Finally, the same rule also applies in the present perfect when the “eindgroep” has a participle.

Ik heb het boek gekocht. ⇒ Ik heb het boek niet gekocht.
Ik heb mijn telefoon gevonden. ⇒ Ik heb mijn telefoon
niet gevonden
Zij heeft dat gezegd. ⇒ Zij heeft dat
niet gezegd


Sometimes, there will be sentences where you will have adjectives / adverbs and prepositions and you’ll have to make a choice. In this case, trust your intuition, the “niet” goes before the part of the sentence that you want to negate.

Zij gaat vaak niet naar de gym. // Zij gaat niet vaak naar de gym.
Wij gaan met vrienden niet naar de bioscoop. // Wij gaan niet met vrienden naar de bioscoop.


The position of other small words like “ook” (also), “al” (already), “wel” (the opposite of “niet”), “nog” (still, another) share the same position as “niet” and “geen”. For more advanced students, the nuancing words “maar” (when you encourage someone to do something), “even / eens / eens even” (when you politely want to ask someone to do something) and “toch” (when you insist on someone doing something) also share the position of “geen” and “niet”. Doesn’t that make life easy?

Some examples:
Ik woon ook in België.
Ik ben
al naar de winkel gegaan.
Hij heeft geen broers of zussen, ik heb
wel een zus.
De studenten hebben
nog vragen.
More advanced:
Kom vanavond maar met ons mee.
Kan je
eens naar mijn kantoor komen?
toch zitten, je hebt al genoeg gedaan.


Check out these exercises on NT2 Taalmenu! and you can also try to make these exercices:
Eudu (1) & Eudu (2)
Studiebazaar: Een baaldag en Fred Deburghgraeve
And this PDF.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Scroll to top